Skip to main content

CVA

CVA staat voor cerebrovasculair accident.

Letterlijk vertaald is dit een ongeluk (accident) van de bloedvaten (vasculair) in het brein (cerebro).

Het is een verzamelnaam voor verschillende problemen met de bloedvaten in de hersenen. Dit kan gaan om een:

Herseninfarct: bloedvat dat verstopt is geraakt door een stolsel, waardoor een deel van het brein geen zuurstof meer krijgt. 

Hersenbloeding: bloedvat in of om het brein scheurt, waardoor er bloed in het hersenweefsel lekt

TIA: tijdelijke mini-beroerte

Subarachnoidale bloeding: bloeding tussen de hersenvliezen (arachnoïdea & pia mater), vaak door het scheuren van een verwijd bloedvat. Typerend: direct ergste hoofdpijn ooit, soms letterlijk een 'knapje' voelen.

Sinustrombose: groot afvoerend bloedvat van het brein (sinus sagittalis superior) raakt afgesloten. Typerend: milde hoofdpijn die in uren-dagen heviger en onhoudbaar wordt.

Cijfers

Elk jaar krijgen 42.000 Nederlanders een CVA en 52.000 een TIA. Het meest voorkomende type CVA is een herseninfarct (80%). In de overige 20% gaat het om een hersenbloeding, waarvan het in 25% om een subarachnoidale bloeding (SAB) gaat.


Na de 1e CVA overlijdt 12% van de opgenomen patiënten <1 maand. Dit percentage ligt hoger naar mate je ouder &/of vrouw bent. Op de lange termijn zien we dat 20% 1 jaar en 38% 5 jaar na een CVA is overleden. Maar dit hangt ook af van de locatie van de CVA. Zo overlijden mensen eerder na een SAB dan een bloeding in het hersenweefsel.

Risicofactoren

Factoren die het risico op een CVA verhogen zijn:

  • Alcohol
  • Familiegeschiedenis
  • Hartziekten, bijv. boezemfibrilleren
  • Ouderdom
  • Overgewicht
  • Roken
  • Suikerziekte
  • Te hoge bloeddruk
  • Te hoog cholesterol

Het risico neemt sterk toe als er meerdere risicofactoren aanwezig zijn.


In het 1e jaar na een TIA of milde beroerte is het risico om dit opnieuw te krijgen 5% als er snel medische hulp is ingeschakeld. Als preventieve maatregelen laat worden ingezet is dit 12%. Dit onderstreept het belang om na een CVA snel te behandelen en bijvoorbeeld in te zetten op preventie zoals het aanpassen van de leefstijl.

Symptomen

Een CVA kan resulteren in diverse klachten en symptomen.


Kijkend naar motorische problemen, dan zien we:

  • Spierverlamming (parese): krachtsverlies door een gedeeltelijke of volledige verlamming komt vaak voor. In de acute fase komt dit bij 80% voor in een arm of been en na een half jaar bij 50%.
  • Spasticiteit: gaat vaak samen met een spierverlamming. Dit komt doordat de remmende werking van het brein wegvalt, waardoor de spieren ongecontroleerd gaan samentrekken.
  • Gestoorde coördinatie: kan komen door spasticiteit


Zo'n 3 op de 4 CVA-patiënten ervaart schouderpijn door spasticiteit, het verkeerd bewegen van de schouder &/of een gedeeltelijke ontwrichting (luxatie) van de schouder . Dit en pijn elders in het lichaam kan de revalidatie sterk benadelen.


Cognitieve problemen op het gebied van aandacht, geheugen, handelen en planning komt bij 50-75% van de patiënten voor na een CVA. Ook executieve functies zoals flexibel denken en de informatieverwerking zijn vaak aangedaan. Om meer zicht te krijgen op de cognitie kan een MoCa worden afgenomen. In gedrag en emotie wordt vaak passiviteit, labiliteit, depressiviteit en prikkelbaarheid gezien. Dit kan leiden tot problemen op werk of in relaties.


Slikken gaat vaak moeilijk in de acute fase, waardoor de kans op een aspiratiepneumonie, een longontsteking door verslikking, verhoogd is. Om dit te voorkomen kan een slangetje (sonde) worden geplaatst waardoor voeding de maag of darmen binnenkomt.


Op communicatief vlak zien we:

1. Dysartrie: moeite met spreken, doordat de tong en de spieren van de lippen verlamd zijn.

2. Afasie: moeite hebben met het begrijpen van taal, het vinden van woorden en maken van zinnen. Dit wordt na 3 maanden bij 25% van de patiënten gezien en komt m.n. door schade aan de linker hersenhelft.


Na een SAB kan de reuk zijn aangedaan. Ook het zicht kan zijn veranderd. Dit kan gaan om wazig of dubbelzien. 

Diagnostiek

In de acute fase wordt een CT-scan gemaakt. Op de scan is een infarct zwart en een bloeding wit. 


Een hersenbloeding kan kort na het ontstaan soms moeilijk op de CT te zien zijn. Wat vaak dan opvalt is dat de witte stof niet meer van de grijze kan worden onderscheiden.  


Ook kan een CT-angiografie (CT-angio) worden gemaakt. Door jodiumhoudend contrastvloeistof in te spuiten worden de bloedvaten goed zichtbaar en kan een afgesloten vat worden opgespoord. 


Geeft de CT geen duidelijkheid, dan kan er nog een MRI worden gemaakt. Hiermee kunnen opnames worden gemaakt die heel gevoelig zijn voor afwijkingen.

Fasen van zorg

1. Acute fase

Dit gaat om de periode van de CVA totdat de patiënt stabiel is. Dit kan uren tot dagen duren. Deze fase vraagt om snel handelen om schade aan het brein zoveel mogelijk te beperken. 


Behandeling herseninfarct

Intraveneuze trombolyse (IVT): 1e keus behandeling waarbij via infuus in de arm een bloedverdunner wordt ingebracht om het stolsel in het brein op te lossen. Tijd: <4.5 uur na 1e klachten.

Ongeschikt bij verhoogde bloedingsneiging


Intra-arteriële trombectomie (IAT): 

Als IVT onvoldoende effectief blijkt of de klachten >4,5 uur bestaan, kan voor IAT worden gekozen. Bij deze ingreep, die vaak onder een roesje gebeurt, wordt een dun slangetje vanuit de lies tot in het afgesloten vat opgevoerd en hier het stolsel met een stent weggetrokken of weggezogen. Tijd: <6 tot 24 uur na 1e klachten


"Time is brain"

Hoe sneller de behandeling start, hoe sneller de bloedtoevoer naar de penumbra wordt hersteld. Dit vergroot de kans dat dit kwetsbare hersenweefsel rondom het afgestorven deel nog kan worden gered.


2. Na acute fase

Binnen 24 uur na het CVA wordt de revalidatie opgestart naar kunnen van de patiënt. Dit gaat initieel om dagelijks max. 1 uur aan training en uitleg aan en begeleiding van naasten.  


3. Chronische fase

In deze fase ligt de nadruk om het leren omgaan en accepteren van de beperkingen. Dit kan gaan om blijvende vermoeidheid, somberheid of verminderde mobiliteit. Daarbij moet worden gezegd dat in de jaren na het CVA het functioneren nog kan veranderen bijvoorbeeld door medische problemen, daardoor over tijd beperkingen zichtbaarder worden of ten positieve door verandering in weekstructuur.

Onderzoek oorzaak herseninfarct

Als blijkt dat er sprake is van een herseninfarct, dan moet er verder onderzoek worden gedaan om de oorzaak te achterhalen. 


Zo kan het infarct voortkomen uit een hartafwijking zoals:

  • Atriumfibrilleren - Onregelmatige hartslag. Vaak bron van het infarct bij ouderen
  • Kleplijden - Hartklep sluit of opent niet goed
  • Recent myocardinfarct - Hartaanval
  • Aneurysma cordis - Zwakte in wand van het hart
  • Open foramen ovale - Kleine opening tussen de linker- en rechterboezem

Andere oorzaken zijn:

  • Hypercoagulabiliteit - Verhoogde stollingsneiging
  • Vasculitis - Ontsteking bloedvatwand 
  • Dissectie - Scheuring in binnenzijde bloedvat
  • Doorsnede vat - Klein of lokaal versmald bloedvat


De oorzaak te achterhalen worden de volgende onderzoeken uitgevoerd:

  • Duplex hals - Echo bloedvaten
  • CT-angio
  • MRI
  • 24 uur monitoring hartritme
  • Bloeddruk
  • Lab - glucose, HbA1c, triglyceriden, LDL, HDL, totaal cholesterol

Behandeling herseninfarct

Als het hart de bron van het bloedstolsel is dan:

- Overleg met de cardioloog

- Start medicatie: LMWH (heparine), NOAC


Als de oorsprong niet in het hart ligt, dan wordt er gestart met een TAR. Dit is een medicijn die de samenklontering van bloedplaatjes remt, zoals:  

- Clopidogrel of

- Acetylsalicylzuur & dipyridamol


Bij een vernauwde halsslagader (a. carotis) wordt liefst <2 weken na het infarct een carotisendarteriëctomie (CEA) uitgevoerd. Bij deze ingreep wordt de vernauwing door kalk of vet uit het vat wordt verwijderd.


Ongeachte de gemeten waarden wordt: 

1. Cholesterol verlaagd door te starten met een statine.

2. Bloeddruk verlaagd door te starten met een ACE-remmer of plastablet

CVA-zorgketen

Bij het doormaken van een CVA komt CVA-ketenzorg, ook wel stroke service genoemd, kijken. Dit is een regionaal samenwerkingsverband van organisaties die zorg kunnen bieden in alle fasen van de aandoening en goed op elkaar is afgestemd. Organisaties die in het netwerk zitten zijn: 

  • Ziekenhuizen
  • Revalidatiecentra
  • Verpleeghuizen
  • Thuiszorg voor zorg aan huis


Revalidatiearts

In het ziekenhuis is de revalidatiearts betrokken bij het opstarten van de revalidatie en het ontslagbeleid. Voor het ontslagbeleid wordt gekeken naar de ernst van de CVA, het sociale netwerk en hoe belastbaar de patiënt is. Van daaruit kan de keus worden gemaakt voor:

  1. Medisch-specialistische revalidatiezorg (MSR)

Een intensief traject gericht op actieve patienten.

2. Geriatrische revalidatiezorg (GRZ)

Een minder intensief traject met name gericht op kwetsbare ouderen met meerdere aandoeningen.

3. Ontslag naar huis

Hierbij wordt de patiënt vaak na 1-1,5 maand teruggezien door een neuroloog of revalidatiearts en gekeken wat er verder benodigd is. Afhankelijk er dan speelt, kan er gekeken worden naar ondersteuning op emotioneel, motorisch, communicatief of sociaal vlak.

CVA-revalidatie

Diagnostiek

Om tot een behandelplan te komen wordt er gekeken naar:

  • Functioneren vóór CVA: in ADL, coping, psychisch
  • Functioneren na CVA: neurologisch en neuropsychologisch onderzoek (cognitief, emotioneel, sociaal)


Meetinstrumeten

Om stoornissen in kaart te brengen worden klinimetrische instrumenten gebruik zoals: ScreeLing voor afasie (taal #), Motricity Index om de spierkracht en de Barthel Index om de ADL-zelfstandigheid te bepalen.


Start behandeling

Liefst wordt <24 uur na de CVA gestart met mobiliseren. Dit leidt tot minder complicaties zoals een longontsteking of doorligplekken, en helpend is tegen blijvende afhankelijkheid.


Training & functieherstel

Na de CVA kan er op verschillende manieren herstel plaatsvinden:

Spontaan - In de eerste dagen tot weken

Door training - Stimuleert de aanleg van omleidingen en nieuwe hersenverbindingen in eerste maanden tot jaren. In het 1e half jaar geldt: hoe meer therapie, hoe beter het herstel. 

Door compensatie - Leren omgaan met functieverlies.


Belangrijke factoren voor CVA-revalidatie

Naast dat het belangrijk is om na een beroerte snel te starten met oefeningen en dit op de juiste intensiteit gebeurd, zijn er nog een aantal belangrijke punten die herstel bevorderen: 

  • Motivatie: inzet
  • Steun van naasten: hulp van familie & vrienden
  • Team van zorgverleners: denk aan therapeuten (fysio, ergo) en de revalidatiearts die als een team met de patiënt meedenken
  • Educatie: uitleg over de gevolgen van de ziekte en de behandeling
  • CVA-ketenzorg: goede samenwerking tussen instanties en zorgverleners 
  • Gezonde leefstijl: om de kans op een volgende beroerte te verkleinen.

Door oog te hebben voor deze factoren, kan het herstelproces positief worden beïnvloed.